Trein zonder bestemming
Kedeng kedenggg
Dat
doen treinen allang niet meer.
Ze zoemen nu.
Af en toe schudden
ze nog weleens wat heen en weer wanneer ze over een wissel
rijden.
Alsof er een onaangename herinnering door het stalen lijf
rilt.
Ondanks het gemis van het geluid
moest ik wel aan dat liedje uit Brabant denken, toen ik in de trein
zat. Onderweg naar...
Tja, naar waar?
Ik had geen idee.
Het
stond vast niet op het kaartje dat ik nergens meer terug kon
vinden.
Misschien had ik er nooit een gehad.
Misschien zat
ik er gewoon.
Zoals
je soms wakker wordt in een droom — midden in een situatie die je
niet hebt gekozen.
Er zaten mensen tegenover me,
maar ik kon hun gezichten niet zien.
Alsof ze opzettelijk net
buiten focus bleven.
Figuranten die mijn toneelstuk zijn
binnengewandeld.
Eén van hen bladerde traag door een krant zonder
tekst. Alleen witte bladzijden, die zacht ritselden.
De intercom
zweeg.
Geen stem. Geen haltes. Geen vertraging. Geen excuses.
Alleen het ritme van de rails, nu
en dan onderbroken door een tik, alsof de trein zelf twijfelde.
Ik
keek uit het raam.
Mist.
Daarachter misschien een landschap, of
een herinnering die zich nog niet had aangediend.
Ik vroeg me af
of ik ergens naartoe ging, of simpelweg van iets vandaan.
Misschien
is dat hetzelfde.
What the fuck???
Tussen
al die gezichtsloze mensen zit er eentje mét een gezicht.
Hij zit
op een bankje niet ver van me vandaan.
Ik rijd tegen
de rijrichting in
en hij mee — dus we kunnen elkaar aankijken.
Maar dat kan
helemaal niet.
Hij is dood.
Al een jaar of vijftien. Of
twintig?
Kut,
ik weet niet eens meer wanneer mijn vader stierf.
Maar hier zit ik.
In een
trein.
Met mijn vader...
Hij kijkt me aan, glimlacht, zegt
iets.
Maar ik kan niet verstaan wat hij zegt.
Op het moment dat ik aanstalten
maak om op te staan om naar hem toe te gaan, vervaagt hij.
Gauw ga
ik weer zitten, en hij is weer zichtbaar.
Zijn mooie donkerblauwe
pak aan.
Wit overhemd.
Met die parelgrijze stropdas, met zo'n
subtiel glansje erin.
Geen schoenen aan, maar zwarte sokken.
Staat
totaal niet, maar zit lekker.
Verrek...
Met die kleding lag
hij opgebaard.
Ik wil hem iets vragen.
Of
eigenlijk van alles.
Waar hij is geweest.
Of ik ook dood
ben.
Of dit een vergissing is – van het universum, van mijn
brein, van God, of van de Grootbouwmeester des Heelals, als die zich
nog met dit soort details bezighoudt.
Maar het enige dat ik kan doen,
is kijken.
Zijn glimlach verandert niet.
Alsof hij iets weet
wat ik niet weet.
Of iets heeft geaccepteerd wat ik nog niet wil.
Mijn hand beweegt naar het raam,
onbewust, alsof ik wil voelen of het glas koud is.
Het is koud.
Te
koud om te dromen.
En dood ben ik ook niet, dan zou ik het niet
voelen.
De trein schokt even.
Zo’n
kleine, betekenisloze beweging – een wissel, een overgang, een
aarzeling in de route.
Hij knikt, heel licht.
Alsof hij het ook
voelt.
En dan zegt hij het
opnieuw.
Datzelfde woord – of woorden – die ik niet kan
verstaan.
Alsof zijn stem net naast het verstaanbare spectrum
valt.
Of mijn oren daar net naast zitten.
Ik knijp mijn ogen half
dicht.
Als ik zijn mond lees, lijkt het iets als:
“Je
weet het al.”
Of:
“Je
weet het wel.”
Of:
“Je
weet wel waarom.”
Nee, dat laatste is het niet.
Zijn mond
vormt niet het woord “waarom”.
Mijn hoofd doet dat wel.
Fuck
man.
Waarom
kan ik het niet gewoon horen?
Mijn hart slaat ineens
sneller.
Ik wil opstaan, deze keer echt, maar iets in me weet: als
ik het doe, verdwijnt hij weer.
En
dus blijf ik zitten.
Gevangen in dit bizarre evenwicht – als een herinnering die je niet durft op te schrijven omdat hij dan misschien anders wordt dan je hem had.
Hij kijkt.
Ik kijk terug.
De
trein rijdt door.
Zonder halte.
Zonder bestemming.
Of
misschien is dit
de bestemming.
Wat
wil je nou, man?
Moet
ik wat zeggen?
Wil jij wat zeggen?
Waarom hebben we dat dan in
die vijftig jaar dat we elkaar vóór je dood kenden niet gedaan,
dan?
En waarom verschijn je dan nu opeens?
In deze trein?
Weet
jij waar die heen gaat?
Ik heb namelijk geen idee.
Ja, lach maar.
Kijk me maar
aan.
En laat mij maar bedenken wat we met deze situatie aanmoeten.
Oh wacht...
Is dit een
vrijmetselaarsdingetje?
“Ken
uzelve?”
Je
bent vrijmetselaar, dus dat zou kunnen.
Maar ik kén
mijzelve goed genoeg.
Of… dat denk ik dan toch.
En dat is
ook jezelf kennen.
Ondertussen blijkt dat mijn vader
en ik nog de enigen zijn in de coupé.
Misschien wel de enigen in
de trein?
Maar wanneer zijn we dan gestopt?
Wanneer zijn die
mensen dan uitgestapt?
Ik weet zeker dat het gezoem de hele tijd
is doorgegaan.
We zijn niet gestopt bij een station.
Dat weet
ik zeker.
Kan iemand mij even vertellen wat
hier gaande is?
Ben ik aan het trippen?
Nee, kan niet.
Ik
gebruik geen drugs.
Nooit gedaan, ga ik ook nooit doen.
Maar ik
heb er een lieve duit voor over om te begrijpen wat hier aan de hand
is.
En pa zit er
maar.
Kijkt.
Glimlacht.
Het is een lieve glimlach.
Een
begrijpende.
Toch fijn dat iemand hier kennelijk begrijpt wat er
gebeurt.
Langzaam wordt het donker
buiten.
Gezien het feit dat het hartje zomer is, moet het dus wel
laat zijn.
De verlichting in de coupé gaat echter niet aan.
In
het tweeduister gebeuren vaak de mooiste dingen.
Ook de naarste,
maar dit voelt vooralsnog niet naar.
Vreemd.
Zonder meer.
Maar
niet onaangenaam.
Ik staar door het raam naar de
voorbijflitsende omgeving.
Hopend iets van een herkenningspunt te
zien, hetgeen niet het geval is.
Weilanden, boerderijen, af en toe
een industrieterrein met bedrijven die door het hele land aanwezig
zijn.
Zou Pa weten waar we zijn?
Ik
kijk op en zoek hem, maar hij is weg.
Op zijn zitplaats ligt de
grijze stropdas met het lichte glansje.
Terwijl ik het oppak, valt
mijn oog op een geel memo-papiertje dat blijkbaar onder de das lag.
“Je weet het al” staat erop geschreven in het handschrift dat ik zo goed ken.
Ik besef opeens dat ik moet
plassen.
Best nodig.
Er zal toch wel een toilet zijn in deze
trein, onderweg naar...
Ik steek de stropdas bij me en
loop naar wat vroeger zo mooi “het
balkon” heette.
“Op
vol balkon liever niet roken”
hing er altijd een bordje.
Het is haast vertederend hoe er vroeger
gewoon uitgegaan werd van het goede fatsoen van de mens en een
gedrukt verzoek op een metalen stripje voldoende was om iets te
bereiken.
Wanneer er sprake was van 'een vol balkon' werd aan het
inzicht van de reiziger overgelaten
Tegenwoordig helpt een
verbodsbord niet eens meer — want wie zijn de Nederlandse
Spoorwegen wel niet om te bepalen wat we wel en niet mogen doen?
Ik vind inderdaad een toilet bij
de instapruimte met de naar buiten draaiende deuren, het balkon.
En
ja hoor.
Daar staat mijn pa.
In zijn pak, zonder stropdas,
kraag keurig dichtgeknoopt.
Hij houdt de deur van het toilethokje
voor me open.
“Is het een beetje schoon,
Pap?” vraag ik.
Met een blik die zegt: “Zou
ik je anders erin laten gaan?”
gebaart
hij met zijn vrije hand dat ik de toiletruimte in mag.
Een beetje
besmuikt merk ik dat ik ook nu nog goedkeuring van mijn vader
verlang, al is het maar om te gaan plassen.
Nadat ik de deur achter me dicht
heb gedaan, bemerk ik dat het slot niet dicht wil.
Het loopt vast
voordat de deur vergrendeld is.
Niet dat het wat uitmaakt, in deze
— naar ik nu wel zeker weet — lege trein.
Maar ik ben een man
die zijn wc thuis nog afsluit als hij alleen thuis is.
Het plast
gewoon relaxter.
Ik open de deur om mijn vader
hiervan op de hoogte te stellen, en constateer dat hij met zijn rug
tegen de deur de wacht houdt.
Geen mens die mij zal storen.
Na gedane zaken kijk ik in het bekraste spiegeltje dat boven het wasbakje hangt terwijl ik in het iele straaltje probeer mijn handen te wassen.
“Menno hartje Gerry”
staat erin gekrast.
Met een pijl door het hartje.
Het ziet er
al een beetje vervaagd uit — door de schoonmaakhandelingen van vele
jaren waarschijnlijk.
Het moet dus al een tijdje geleden
aangebracht zijn.
Ik vraag me af of het ooit wat geworden is,
tussen die Menno en Gerry.
Daarna kijk ik mezelf aan.
Ben
ik dit?
Ja,
ik herken mezelf.
Ik lijk op die man.
Zoals ik ook lijk op die
man die buiten de wacht houdt.
In hoeverre lijk ik op hem?
Is
dat wat hij bedoelt met: “Je
weet het al?”
Nah.
Dat
is te simpel.
De stropdas!
Ik haal hem uit
mijn broekzak en knoop hem om.
Geen gezicht, zo op een
T-shirt.
Zeker niet als daar op staat:
“Sailors never die. We just regroup and report to Davy Jones.”
Stop,
wacht effe...
Is dit het?
Is
dit wat hij me wil laten weten?
Wilde hij dat ik de das om zou
doen, zodat ik de tekst op mijn T-shirt zou lezen?
Maar dan?
Ik ben
zeeman.
Ondanks dat ik al tien jaar niet meer op zee werk, voel ik
me nog steeds een zeeman.
Maar waarom wil je dan dat ik die kreet
op mijn shirt lees?
Dat ik iets concludeer?
Dat de dood slechts
een begin is van iets anders?
Waarin je samenkomt om aan iets
anders te beginnen?
Pap, je bent goed op weg.
We
zijn er bijna.
Dat voel ik.
Ik doe de deur open om met hem te
gaan praten.
Maar hij staat er niet meer.
Ik stap de toiletruimte uit.
Geen
vader.
Geen glimlach, geen schouder, geen gestreken pak.
Alleen ik.
Met een stropdas
die niet past.
En een T-shirt dat opeens een betekenis heeft
gekregen.
Ik blijf even staan. In het
halfduister van het balkon.
Mijn hand op de deurknop.
De andere
op mijn borst, waar de tekst zit die ik nooit écht las.
Sailors
never die.
We just regroup and report to Davy Jones.
“Je weet het al,”
hoor ik.
Niet als stem.
Het is mijn hoofd nu, die dat zegt.
Ik loop terug richting mijn
zitplaats.
Nog steeds geen andere reizigers.
Mijn vader zit er
ook niet, er ligt ook niets op zijn zitplaats.
Ik besluit naar voren te lopen,
richting de locomotief.
De verlichting boven mijn hoofd gaat aan
bij elke stap die ik zet.
Stap
– flits. Stap – flits.
Een rookglazen deur die ik
openduw.
In het harmonikasstuk boven de koppeling tussen de twee
wagons is het aangenaam koel, maar het gezoem verandert in
geraas.
Geraas dat verraadt dat de trein snelheid mindert.
Naderen
we een station?
Stopt
deze waanzinnige reis?
Snel open ik de volgende deur en
stap een eveneens lege coupé in.
Hij is niet de hele reis leeg
geweest.
Een omgevallen blikje cola, waar een klein plasje uit
gelekt is, en een lichte geur van tabaksrook verraden dat hier iemand
gezeten heeft die zelf wel bepaalde wat hij wel of niet mocht.
Het licht is gedimd, zodat er goed door de ramen naar buiten te kijken is.
Ik neem plaats bij het blikje
cola.
Helaas is het leeg.
In het plasje zie ik nog belletjes,
dus het moet nog redelijk verse cola zijn — en dus goed drinkbaar
geweest zijn.
En dat terwijl ik merk dat ik best dorst heb.
“De trein mindert vaart,
terwijl mijn hart steeds sneller slaat”, zingt het liedje in mijn
hoofd.
Dat laatste is niet het geval, maar het eerste wel.
De
trein gaat duidelijk langzamer dan voorheen.
Ik druk mijn hoofd tegen het
koele glas en kan net zien dat er een verlicht gebouw aankomt.
Een
station!
En
nu?
Word
ik geacht uit te stappen?
Gaat de reis nog verder?
De trein mindert zoveel vaart dat
het nog net iets sneller gaat dan stapvoets.
Renvoets,
is eerder een passende benaming, denk ik.
Op het perron ontwaar ik een
vrouw.
Ze is netjes gekleed, met een jas die je een mantel moet
noemen.
Zo'n mooie jaren ’30-wollen jas.
Ze is verzorgd.
Niet
overdreven volgesmeerd met make-up, maar een subtiel lipstickje op
haar lippen, een klein mascaraatje op de wimpers en aaitje met een
oogpotlood over de wenkbrauwen.
Precies genoeg.
Het haar netjes
gekapt.
Om haar linkerpols een klein gouden horloge, om haar
rechterpols een schakelarmband, en op haar borst een broche van drie
schakels.
Waarom herken ik dit tafereel
meteen?
Waarom zie ik die details zo scherp?
Omdat
het mijn moeder is.
Ze glimlacht, terwijl haar ogen nat worden van een opwellende traan.
Naast haar staat een man.
In
een blauw pak.
Wit overhemd.
Geen stropdas.
Zwarte sokken
onder de broekspijpen die zijn voeten moeten beschermen tegen het
koude beton van het perron.
Hij glimlacht.
Zijn lippen
zeggen de woorden:
“Je
weet het al.”
Ja.
Ik
weet het al.
Nu
wel.
Samen wijzen ze in de rijrichting
van de trein, die weer begint te versnellen.
Ik draai me snel om
en zie hoe ze naar me zwaaien.
Het is nog niet te laat.
Nawoord
Het
verhaal dat u zojuist gelezen hebt, waarde lezer, is 100%
biografisch.
Alle personen en gebeurtenissen bestaan of hebben
bestaan en hebben plaatsgevonden.
En tegelijk zijn ze geheel
ontsproten aan mijn brein.
Niets van dit alles is reëel, omdat
het een verslag is van een droom die ik onlangs had — en die mij
nog regelmatig bezighoudt.
Die droom bleef plakken in mijn
hoofd.
En verdiende het daarmee om op papier gezet te worden.
En als u na het lezen denkt: Wat
heb ik nou eigenlijk gelezen?
Dan
bevindt u zich precies op dezelfde plek als ik.
Wat ik vurig hoop, is dat u —
net als ik toen ik uit de droom ontwaakte — een warm gevoel uit het
gebeurde hebt overgehouden.
Wellicht heeft u er zelfs iets
aan.
Dat zou helemaal mooi zijn.

Reacties
Een reactie posten